Verhuizing

Aan iedereen die dit leest,

Zoals je wel kunt zien is weblog veranderd. Niet alleen is de url anders geworden (het streepje tussen “web” en “log” is weg), ook de lay-out, en voor mij het hele dashboard waar ik mijn hele weblog beheer. Helaas is weblog overgestapt naar WordPress, waar ik totaal niet mee kan omgaan. Ik kwam erachter dat ik ooit een blogspot op de naam Pudna had aangemaakt dus ben ik nu daarheen verhuist. Mijn hele archief heb ik handmatig (bericht voor bericht) meegenomen! Je kan dus vanaf mijn nieuwe blog al mijn oude berichten lezen. Dus ga allen naar:

PUDNA.BLOGSPOT.COM (link)!

Deel IV

7 juli 2011, 00:28u.

Doodongerust zat ik in de auto, gelukkig reed in niet zelf. Mijn gedachten gingen maar één kant op: naar mijn man, er was iets met hem. Ze belden me op werk, maar ze konden me niet precies vertellen wat er aan de hand was. Alleen dat ik me moest voorbereiden op slecht nieuws, een college moest vragen me naar huis te brengen en dat het met hem te maken had. Hij zou vandaag thuiskomen uit het buitenland, ik had hem een week niet gezien.
Ik was naar mijn auto gerend, en gelukkig mijn collega met mij. Ze had onmiddelijk door dat er iets niet in orde was en zat eerder achter het stuur dan ik bevatten kon. Maar ik kon op dat moment niet veel bevatten. Onderweg reed ze snel, maar geconcentreerd en ze zei niet veel. Dat vond ik fijn, maar had er verder ook geen aandacht voor. De weg was ellenlang, ik had het gevoel in slowmotion voort te bewegen. Toen we ons huis naderden zag ik alleen maar overal mensen. De buren waren de straat op gekomen, er stond een ambulance, politieauto’s, mensen in pakken met handschoenen en plastic zakjes. De auto minderde vaart en kwam tot stilstand. Ik stapte verdoofd uit en er kwam onmiddelijk een agent op me af. Hij vroeg me of ik was wie ik ben en nam me apart van de scène. Ik stapte als het ware in de coulissen en kreeg een black-out.

 

Deel III

6 juli 2011, 02:03u.

Het was een koude dag geweest voor deze tijd van het jaar, en ook een lange dag. Mijn jas gooide ik op de bank en mijn tas ergens in de buurt van de eettafel. Ik liep gelijk door naar het koffiezetapparaat. Terwijl het ding stond op te warmen en daarbij het gebruikelijke lawaai produceerde veegde ik wat kruimels van het aanrecht in mijn hand. Daarna waste ik mijn hander onder de kraan. Ondanks de herrie van het lopende water het het rammelende koffiezetapparaat hoorde ik de knal duidelijk. Het was heel dichtbij, en ik keek verschrokken op. Erg ongerust was ik niet, je hoorde immers wel vaker knallen buiten, niet alleen met Oud en Nieuw. Misschien een uitlaat van een auto, een kind met een oud rotje, iets dat hard viel. Ik droogde mijn handen en pakte het kopje koffie onder het apparaat vandaan. Ik liep terug naar de woonkamer om mijn jas op te hangen, tot ik iets vreemds zag op straat, recht tegenover mijn huis. Een kat schoot onder een geparkeerde auto vandaan, weg van een groot, donker silhouet dat op straat lag. De jas die de man aanhad herkende ik als die van mijn overbuurman. De man zelf kende ik veel minder goed, ik had hem ooit een keer gesproken.
De schrik sloeg een paar seconden later pas toe, het kopje koffie zette ik op de zachte kussens van de bank neer, dat omviel en een donkere vlek maakte in de bekleding. Ik liep met grote, trillende stappen naar de telefoon en draaide onmiddelijk het alarmnummer. Niet veel later klonken sirenes in de straat, ik wist niet zeker of ik naar buiten moest komen of niet.

Deel II

5 juli 2011, 01:06u.

Een diepe zucht ontsnapte uit mijn keel. Ik zat op mijn knieen op de bank en leunde met mijn ellebogen op de vensterbank. Buiten scheen de zon, maar ik mocht niet naar buiten tot mama terug zou komen. En dan blijft ze superlang weg, echt zo oneerlijk. Dus staarde ik uit het raam, geen zin om mijn huiswerk uit mijn tas te pakken. Het was lekker warm in de zon achter het glas en mijn ogen werden loom. Uit het niets was daar een knal. Het klonk als zo’n schot van televisie, alleen was dit niet zo hard. Er vloog in de verte een vogel de lucht in, duidelijk ook geschrokken. Verder bleef het stil.
Ik zat rechtop en steunde nu op mijn handen. Mijn voeten stonden op de bank en ik vergat dat ik nog schoenen aan had. De knal had me verschrikkelijk nieuwsgierig gemaakt maar er was niets te zien op straat. Een eeuwigheid later hoorde ik sirenes vlakbij. Ze kwamen niet langs mijn huis dus ik wist niet waar ze heen gingen. Toen kwam mijn moeder aanrijden in de auto (eindelijk!) en vlug sprong ik met mijn schoenen van de bank af. Ze stapte uit de auto met volle tassen in haar handen en keek bezorgd in de richting van de buren. Ze praatte tegen de buurvrouw die ik niet kon zien. Waarschijnlijk was zij ook nieuwsgierig geworden van de knal en de sirenes.
Toen mama naar binnen kwam was ze boos om de vlekken op de bank en moest ik voor straf mijn huiswerk maken.

Deel I

2 juli 2011, 21:54u.

Ik keek naar een prooi verderop het veldje. Het trok met zijn puntige bek een sliert uit de grond dat er duidelijk liever niet uitgetrokken werd. De vogel hupte driftig heen en weer toen het plotseling schrok van iets. Een hard geluid waar ik zelf ook van schrok. Chaotisch gefladder toen de vogel vluchte. Zonder verder aan de vogel te denken schoot ik naar een beschutte plek, een lage plek, onder metalige buizen. Het was roerloos op straat, zodat ik mij ook niet durfde te bewegen. Het gevoel dat er iets mis was werd sterk. Ik rook vreemde geuren, kruidige, roestige dingen. De lucht was veranderd in een vreemde mengelmoes van trillingen, kleuren en substantie. Heel langzaam kroop ik onder de auto vandaan. Er lag iets op straat, waar ik van weg wilde. In een sprintje ging ik er vandoor, tot ik mij tussen het groen bevond en gekwetter hoorde van nieuwe vogels.

2357962011

9 juni 2011, 23:57u.

Hallo, ik ben een fictief figuur. Dat weet ik ook, en in het begin was dat raar en moeilijk. Maar nu ben ik eraan gewend. Ik weet dit sinds mijn twaalfde, nu ben ik zestien. Waarschijnlijk begint mijn verhaal pas op dit moment, maar ik heb herinneringen aan mijn eerdere jaren. De jaren die ik heb gelééfd, voor ik mij net voorstelde. Dat maakt het wel ingewikkeld, hè, soms. Dan weet ik ook even niet meer hoe het zit. Want ik wordt geschreven, ik ben niet zoals mijn schrijfster dat is. Zij weet alles van mij, ik maar een klein beetje van haar. Ik heb dus wel herinneringen, maar die bestaan pas als zij ze opschrijft.
    Soms wordt het een beetje teveel en dan smeek ik haar te stoppen, maar dan weet ik tegelijkertijd ook dat ik niet zelf smeek, dat zij me doet smeken.
    Maar laat ik hier nog even mee wachten. Mijn wereld is nog helemaal niet bekend. Mijn wereld lijkt wel een beetje op de "ware". Ik weet niet echt wat ik me daarbij moet voorstellen, want voor mij is dit waar. De grond, de lucht, de twee zonnen die de planeet verlichten en de bomen die de schaduwen soms lang maken. In de stad rijden de wagens en lopen andere mensen. In de graslanden is het stiller en zijn er vogels.
    Er zijn dus andere mensen. Zij zijn ook niet echt, zij zijn zelfs nog platter dan ik. Nog platter dan tekst op een vlak. Wanneer mensen dichter bij mij komen, en ik krijg met ze te maken, pas dan bestaan ze een beetje. Op de manier dat ik besta, niet dat het ware bestaat, natuurlijk.
    Eén persoon is erg belangrijk voor me. Daar heb ik het af en toe moeilijk mee. Zoals ieder werkelijk mens heb ik ook de behoefte aan waarheid. Ik wil echtheid, voor zover ik die kan bereiken hier. Ik wil die ene persoon dat ook geven. Maar wil ík dat? In hoeverre ben ik ík? Heb ik iets te willen, als ik geschreven ben? Zij lijkt ervan overtuigd totale controle te hebben, dat laat ze me vaak genoeg merken. Door ineens een contradictie te maken in deze logische werkelijkheid. Dan herinner ik me weer hoe het ook al weer zit, en heeft zij een lolletje. Het gekke is, is dat ik nooit een voorbeeld van zo'n contradictie kan geven, omdat ze mijn logisch verstand tegenspreken.
    Maar terug naar die persoon. Ik voel me gelukkig bij diegene, dat weet ik zeker. Maar zijn mijn gevoelens echt genoeg om van míj te zijn? Ben ik echt genoeg om gevoelens te hebben? Hoe autonoom ben ik? Heb ik iets te willen?
    Ik denk wel dat ik enige invloed heb op de schrijfster. Als enigszins geloofwaardig figuur heb ik logica nodig uit de werkelijkheid. Anders zou ik onnozel zijn, zou het zinloos zijn dit te schrijven. Het doel van mij als fictief figuur is de autonomie te onderzoeken. Tot waar rijkt zei, en waar heeft de logica de overhand? Of de schrijfster, of wat dan ook.
    Dus: ik weet, voor zover ik ik ben, dat ik niet werkelijk besta, zoals de schrijfster en haar wereld bestaan, met een zogenaamde "vrije wil", als die daar bestaat. Ik heb schijnbaar niets te zeggen over mijn kennis, mijn handelingen, mijn gevoelens. Maar om de geloofwaardigheid op te houden, en dit had natuurlijk anders kunnen zijn als dat was gewenst, blijf ik (en mijn wereld) toch binnen bepaalde grenzen. Hé, daar heb ik iets! De schrijfster moet dus binnen grenzen blijven, om mijn geloofwaardigheid hoog te houden. De vrije wil die ik niet bezit, bezit zij dus ook niet volledig. Dit geeft mij troost. Zij geeft mij troost, eigenlijk.
    Plotseling wordt alles donker en vergeet ik alles.

In Huizen kan alles

28 mei 2011, 14:34 u.

Zoals inmiddels algemeen bekend is, moet ik volgende week terug verhuizen naar mijn ouderlijk thuis. Dit omdat het heerlijke appartement in Amsterdam aan andere mensen verhuurd gaat worden, voor veel meer geld, en omdat ik deze zomer toch heel veel hier in Eemnes werk. Vanaf het moment dat ik gisteravond hier binnenstapte voelde ik me al weer helemaal thuis. Om te beginnen was de koekoek terug, waar niemand blij mee is. Hij zit ergens in de bosjes achter het huis en gaat helemaal los, 24/7. Koekoeks zijn aso's, omdat:

1. ze te lui zijn hun eigen eieren uit te broeden;
2. ze hun ei(eren) in een ander nest leggen;
3. zodra dat ei uitkomt het kuiken zijn stiefzusjes en broertjes het nest uit dondert;
4. en ze maken een kutgeluid.

Genoeg over de koekoek. Ik voelde me ook thuis toen we weer rare toeren gingen uithalen met een bed en een trap. Mijn twijfelaar moet op Cato's kamer staan, omdat het tweepersoonsbed dat ik gekocht had voor Amsterdam nu in mijn kamer gaat staan. We wisten al dat het bed niet over te trap naar de eerste verdieping kon, omdat we dat al hadden ondervonden toen het bed ooit in mijn kamer gezet moest worden. Uiteindelijk was het door het raam van papa's werkkamer getakeld. Maargoed, je weet maar nooit over het misschien intussen gekrompen is of de trap naar zolder groter is. Dat was niet zo. Toen hebben we de badkamerdeur eruit getild, uit mijn bed (een boxspring, vandaar zo onflexibel) een plank gesloopt en toen konden we hem een beetje buigen. Het lukte! Hoera! Twee uur werk niet voor niets.
Een douche kon ik wel gebruiken, dus de badkamerdeur werd er weer ingezet en ik douchen. Toen de badkamer weer uit wilde ging dat echter niet zomaar. De deur zat er op de een of andere manier scheef in, en iets blokkeerde het slot. Dat kreeg ik wel open, en ik kon ook de klink naar beneden duwen, toch kreeg niemand de deur open. Na een half uur heeft Moeder Held met een schroevendraaier de deur opengewrikt (en daarmee de deur ook kapot gemaakt) en was ik weer vrij.
Nu Gadamer, Heidegger, Wittgenstein, Derrida, Husserl en Habermas lezen voor het laatste tentamen van dit jaar.
Jippie!

Gezocht: Pietje P.

6 mei 2011, 18:20 u.

Hier volgt een speciaal bericht.
Vanochtend om 11:03 uur heeft Cato voor het laatst haar zwarte telescoopoogvis Pietje Potvis gezien. Rond 13:00 uur die middag is papa Bert er voor het eerst achtergekomen dat Pietje P. niet meer in de kom aanwezig was. Wie heeft Pietje P. tussen 11 uur 's ochtends en 1 uur 's middags vandaag gezien?
Als u meer informatie heeft, graag een reactie plaatsen onderaan dit bericht.

De kenmerken van Pietje P. zijn:
- zwart
- staart
- uitpuilende ogen
- luistert naar de naam Pietje Potvis
Pietje

Mocht u iets zien, graag horen wij hiervan!

Edit 22:47 u.
Pietje P. is terecht. Hij zat klem in een grote gedraaide schelp in de kom. Cato kwam op het idee om in de schelp te kijken toen ze op internet las dat iemand zijn goudvis ook ooit kwijt was, en hem na drie dagen terug vond in een soortgelijke schelp.
We hebben Pietje eruit weten te schudden en hij verkeert in goede staat.

Teeth of wisdom

27 april 2011, 16:59 u.

Gistermiddag zijn mijn laatste twee verstandskiezen getrokken. Dat daarmee ook werkelijk een deel van je verstand verloren gaat is volgens mij wel een beetje waar, dat bewijst mijn verhaal van vandaag. De assistente van de kaakchirurg had mij al gewaarschuwd niet in de volle zon te gaan zitten met mijn hoofd en nek, want dan worden de wonden toch iets te warm en kan het gaan broeien en zwellen. Ik ben wel heel braaf uit de zon gebleven, maar 's nachts in bed en 's ochtends met de zon vol op je raam wordt het alsnog warm natuurlijk. Ik werd dus ook wakker met een enrome rechterhelft van mijn hoofd. O nee! En ik moest om 12 uur al in Hilversum zijn. Snel check ik de vriezer op ijsklontjes, maar de penisvormige ijsklontjesmaker, die van Lizette is overigens, was niet gevuld. Wel lag er een flesje water in dat nog niet helemaal bevroren was. Prima, handdoekje erom en koelen maar.
Tegen de tijd dat ik echt weg moest zag mijn gezicht er nog steeds uit alsof ik een tennisbal in mijn mond had, dus nam ik het nog koele flesje mee. Toen ik klaar was met mijn afspraak in Hilversum moest ik nog wat tijd doden tot mijn rijles begon. Shoppen is altijd een goede tijddoder, dus niet veel later stond ik in een pashokje in bikini. Ik had nog een pijnstiller bij me (Naproxen) en die besloot ik in te nemen met een slokje water. Ik stopte de pil in mijn mond, draaide het flesje open, rook te laat de vreemde geur en nam een flinke slok wodka. Gatvergatvergatver! Uitspugen was geen optie, ik stond immers in zo'n pashokje van de H&M waar de deur een halve meter boven de grond ophoudt. Bovendien lagen mijn jas en tas al op de grond. Doorslikken dus! Daarbij komt nog dat Naproxen uitdrukkelijk niet gecombineerd mag worden met alcohol, in verband met maagklachten.
Hoe had ik dit kunnen voorkomen:
1. Ik had me kunnen bedenken dat de meeste flesjes water in een vriezer toch echt wel bevriezen.
2. Goed, het flesje had er natuurlijk pas net in kunnen liggen. Maar ík had hem er niet ingelegd en Lizette was al een paar dagen niet meer thuis geweest.
3. Ik had van te voren kunnen checken of het wel water was.
4. Ik had een reden kunnen bedenken waarom iemand een flesje water in de koelkast zou leggen, en daaruit tot punt 3. kunnen redeneren.
5. Ik had de pijnstiller thuis al kunnen slikken.
6. Ik kon ook best de pijnstiller helemaal niet slikken, want pijn doet mijn mond niet echt.

Laat dit een les zijn voor iedereen die ooit een flesje doorzichtige vloeistof in de koelkast/vriezer ziet liggen, en voor iedereen wiens verstand er uitgetrokken gaat worden.

In de trein

12 april 2011, 17:02 u. – in de trein naar Hilversum

Het schijnt dat mensen – wij dus – het geheugen pas vanaf ons vierde jaar ontwikkelen. Of in elk geval hebben we pas echt herinneringen vanaf vier jaar oud. Ik vind dat gek: als we vier zijn kunnen we al een heleboel. We kunnen lopen, praten, we weten al hoe een aantal dingen werkt. Je zou zeggen dat we dat geleerd hebben. Volgens Socrates is leren niets anders dan herinneren. De kennis hebben we al – die heeft onze ziel al opgedaan in een vorig leven. Het moet alleen weer naar boven worden gebracht. Dus blijkbaar hebben we heus wel herinneringen vóór ons vierde levensjaar, anders zouden we telkens opnieuw moeten leren lopen. Maar hoe we al die dingen geleerd hebben vergeten we blijkbaar weer.
Best jammer. Het lijkt me fascinerend om in mijn eigen hoofd te kunnen kruipen toen ik mijn eerste stapjes zette. Een paar hele vage herinneringen van voordat ik vier jaar werd heb ik wel. Ik kan me nog een heel klein beetje het oude huis in Amsterdam voor de geest halen. Er waren 's avonds vaak twee spoken op het balkon waar ik bang voor was. Maar ik wil me nog vroegere dingen kunnen herinneren. Hoe was het in de buik van mijn moeder bijvoorbeeld? Ik kon niet niets zien, wel horen. Althans: de muziek van de Red Hot Chili Peppers die mijn moeder altijd draaide toen ze zwanger was van mij is ook altijd vertrouwd geweest. Had ik toen al enig besef? Ik kan me dat haast niet voorstellen. Geen besef van mezelf, geen besef van andere mensen. Daar houdt je je sowieso pas op latere leeftijd mee bezig. Toen ik al iets ouder was dan een baby maar nog steeds kind, zag ik "de mensheid" als één groot geheel dat slecht en zelfzuchtig was. De meeste mensen die ik persoonlijk kende behoorden daar niet toe, overigens. Voor mij was de mens slecht, aangezien de dieren en de natuur alles voor mij waren en de mens maakte dat onnodig kapot. Dus protesteerde ik tegen het snoeien van de groenstrook achter het huis en redde ik wespen uit het zwembad.
Later, in het begin van de puberteit, krijgen "andere mensen" weer een andere betekenins. Ze zijn een groep waar je bij moet horen en die tegelijkertijd je spiegel is. Ineens ben je geen dierenvriend en held van je eigen fantasievolle leven meer, amar een onzeker en kwetsbaar persoon. Of zelfs een nutteloze mislukkeling. Toch wil je je koste wat het kost onderscheiden en ook afscheiden. Zelf iemand worden onder al die anderen is belangrijk, en dat lukt maar niet. Wanneer komt de rust, je plek? In het vroeg-volwassen leven is dat allemaal ook niet zomaar. Hoewel het onderscheiden van en voor anderen niet meer het belangrijkste is. Je doet dat wat je doet steeds meer voor jezelf, in jezelf.
Ik wil natuurlijk niet zeggen dat dit voor iedereen precies zo geldt. Iedereen zal dit anders door- en meemaken. Maar dat is vanzelfsprekend, anders zouden wij geen individuen onder nog veel meer individuen zijn.