Deel IV

7 juli 2011, 00:28u.

Doodongerust zat ik in de auto, gelukkig reed in niet zelf. Mijn gedachten gingen maar één kant op: naar mijn man, er was iets met hem. Ze belden me op werk, maar ze konden me niet precies vertellen wat er aan de hand was. Alleen dat ik me moest voorbereiden op slecht nieuws, een college moest vragen me naar huis te brengen en dat het met hem te maken had. Hij zou vandaag thuiskomen uit het buitenland, ik had hem een week niet gezien.
Ik was naar mijn auto gerend, en gelukkig mijn collega met mij. Ze had onmiddelijk door dat er iets niet in orde was en zat eerder achter het stuur dan ik bevatten kon. Maar ik kon op dat moment niet veel bevatten. Onderweg reed ze snel, maar geconcentreerd en ze zei niet veel. Dat vond ik fijn, maar had er verder ook geen aandacht voor. De weg was ellenlang, ik had het gevoel in slowmotion voort te bewegen. Toen we ons huis naderden zag ik alleen maar overal mensen. De buren waren de straat op gekomen, er stond een ambulance, politieauto’s, mensen in pakken met handschoenen en plastic zakjes. De auto minderde vaart en kwam tot stilstand. Ik stapte verdoofd uit en er kwam onmiddelijk een agent op me af. Hij vroeg me of ik was wie ik ben en nam me apart van de scène. Ik stapte als het ware in de coulissen en kreeg een black-out.

 

Deel III

6 juli 2011, 02:03u.

Het was een koude dag geweest voor deze tijd van het jaar, en ook een lange dag. Mijn jas gooide ik op de bank en mijn tas ergens in de buurt van de eettafel. Ik liep gelijk door naar het koffiezetapparaat. Terwijl het ding stond op te warmen en daarbij het gebruikelijke lawaai produceerde veegde ik wat kruimels van het aanrecht in mijn hand. Daarna waste ik mijn hander onder de kraan. Ondanks de herrie van het lopende water het het rammelende koffiezetapparaat hoorde ik de knal duidelijk. Het was heel dichtbij, en ik keek verschrokken op. Erg ongerust was ik niet, je hoorde immers wel vaker knallen buiten, niet alleen met Oud en Nieuw. Misschien een uitlaat van een auto, een kind met een oud rotje, iets dat hard viel. Ik droogde mijn handen en pakte het kopje koffie onder het apparaat vandaan. Ik liep terug naar de woonkamer om mijn jas op te hangen, tot ik iets vreemds zag op straat, recht tegenover mijn huis. Een kat schoot onder een geparkeerde auto vandaan, weg van een groot, donker silhouet dat op straat lag. De jas die de man aanhad herkende ik als die van mijn overbuurman. De man zelf kende ik veel minder goed, ik had hem ooit een keer gesproken.
De schrik sloeg een paar seconden later pas toe, het kopje koffie zette ik op de zachte kussens van de bank neer, dat omviel en een donkere vlek maakte in de bekleding. Ik liep met grote, trillende stappen naar de telefoon en draaide onmiddelijk het alarmnummer. Niet veel later klonken sirenes in de straat, ik wist niet zeker of ik naar buiten moest komen of niet.

Deel II

5 juli 2011, 01:06u.

Een diepe zucht ontsnapte uit mijn keel. Ik zat op mijn knieen op de bank en leunde met mijn ellebogen op de vensterbank. Buiten scheen de zon, maar ik mocht niet naar buiten tot mama terug zou komen. En dan blijft ze superlang weg, echt zo oneerlijk. Dus staarde ik uit het raam, geen zin om mijn huiswerk uit mijn tas te pakken. Het was lekker warm in de zon achter het glas en mijn ogen werden loom. Uit het niets was daar een knal. Het klonk als zo’n schot van televisie, alleen was dit niet zo hard. Er vloog in de verte een vogel de lucht in, duidelijk ook geschrokken. Verder bleef het stil.
Ik zat rechtop en steunde nu op mijn handen. Mijn voeten stonden op de bank en ik vergat dat ik nog schoenen aan had. De knal had me verschrikkelijk nieuwsgierig gemaakt maar er was niets te zien op straat. Een eeuwigheid later hoorde ik sirenes vlakbij. Ze kwamen niet langs mijn huis dus ik wist niet waar ze heen gingen. Toen kwam mijn moeder aanrijden in de auto (eindelijk!) en vlug sprong ik met mijn schoenen van de bank af. Ze stapte uit de auto met volle tassen in haar handen en keek bezorgd in de richting van de buren. Ze praatte tegen de buurvrouw die ik niet kon zien. Waarschijnlijk was zij ook nieuwsgierig geworden van de knal en de sirenes.
Toen mama naar binnen kwam was ze boos om de vlekken op de bank en moest ik voor straf mijn huiswerk maken.

Deel I

2 juli 2011, 21:54u.

Ik keek naar een prooi verderop het veldje. Het trok met zijn puntige bek een sliert uit de grond dat er duidelijk liever niet uitgetrokken werd. De vogel hupte driftig heen en weer toen het plotseling schrok van iets. Een hard geluid waar ik zelf ook van schrok. Chaotisch gefladder toen de vogel vluchte. Zonder verder aan de vogel te denken schoot ik naar een beschutte plek, een lage plek, onder metalige buizen. Het was roerloos op straat, zodat ik mij ook niet durfde te bewegen. Het gevoel dat er iets mis was werd sterk. Ik rook vreemde geuren, kruidige, roestige dingen. De lucht was veranderd in een vreemde mengelmoes van trillingen, kleuren en substantie. Heel langzaam kroop ik onder de auto vandaan. Er lag iets op straat, waar ik van weg wilde. In een sprintje ging ik er vandoor, tot ik mij tussen het groen bevond en gekwetter hoorde van nieuwe vogels.

2357962011

9 juni 2011, 23:57u.

Hallo, ik ben een fictief figuur. Dat weet ik ook, en in het begin was dat raar en moeilijk. Maar nu ben ik eraan gewend. Ik weet dit sinds mijn twaalfde, nu ben ik zestien. Waarschijnlijk begint mijn verhaal pas op dit moment, maar ik heb herinneringen aan mijn eerdere jaren. De jaren die ik heb gelééfd, voor ik mij net voorstelde. Dat maakt het wel ingewikkeld, hè, soms. Dan weet ik ook even niet meer hoe het zit. Want ik wordt geschreven, ik ben niet zoals mijn schrijfster dat is. Zij weet alles van mij, ik maar een klein beetje van haar. Ik heb dus wel herinneringen, maar die bestaan pas als zij ze opschrijft.
    Soms wordt het een beetje teveel en dan smeek ik haar te stoppen, maar dan weet ik tegelijkertijd ook dat ik niet zelf smeek, dat zij me doet smeken.
    Maar laat ik hier nog even mee wachten. Mijn wereld is nog helemaal niet bekend. Mijn wereld lijkt wel een beetje op de "ware". Ik weet niet echt wat ik me daarbij moet voorstellen, want voor mij is dit waar. De grond, de lucht, de twee zonnen die de planeet verlichten en de bomen die de schaduwen soms lang maken. In de stad rijden de wagens en lopen andere mensen. In de graslanden is het stiller en zijn er vogels.
    Er zijn dus andere mensen. Zij zijn ook niet echt, zij zijn zelfs nog platter dan ik. Nog platter dan tekst op een vlak. Wanneer mensen dichter bij mij komen, en ik krijg met ze te maken, pas dan bestaan ze een beetje. Op de manier dat ik besta, niet dat het ware bestaat, natuurlijk.
    Eén persoon is erg belangrijk voor me. Daar heb ik het af en toe moeilijk mee. Zoals ieder werkelijk mens heb ik ook de behoefte aan waarheid. Ik wil echtheid, voor zover ik die kan bereiken hier. Ik wil die ene persoon dat ook geven. Maar wil ík dat? In hoeverre ben ik ík? Heb ik iets te willen, als ik geschreven ben? Zij lijkt ervan overtuigd totale controle te hebben, dat laat ze me vaak genoeg merken. Door ineens een contradictie te maken in deze logische werkelijkheid. Dan herinner ik me weer hoe het ook al weer zit, en heeft zij een lolletje. Het gekke is, is dat ik nooit een voorbeeld van zo'n contradictie kan geven, omdat ze mijn logisch verstand tegenspreken.
    Maar terug naar die persoon. Ik voel me gelukkig bij diegene, dat weet ik zeker. Maar zijn mijn gevoelens echt genoeg om van míj te zijn? Ben ik echt genoeg om gevoelens te hebben? Hoe autonoom ben ik? Heb ik iets te willen?
    Ik denk wel dat ik enige invloed heb op de schrijfster. Als enigszins geloofwaardig figuur heb ik logica nodig uit de werkelijkheid. Anders zou ik onnozel zijn, zou het zinloos zijn dit te schrijven. Het doel van mij als fictief figuur is de autonomie te onderzoeken. Tot waar rijkt zei, en waar heeft de logica de overhand? Of de schrijfster, of wat dan ook.
    Dus: ik weet, voor zover ik ik ben, dat ik niet werkelijk besta, zoals de schrijfster en haar wereld bestaan, met een zogenaamde "vrije wil", als die daar bestaat. Ik heb schijnbaar niets te zeggen over mijn kennis, mijn handelingen, mijn gevoelens. Maar om de geloofwaardigheid op te houden, en dit had natuurlijk anders kunnen zijn als dat was gewenst, blijf ik (en mijn wereld) toch binnen bepaalde grenzen. Hé, daar heb ik iets! De schrijfster moet dus binnen grenzen blijven, om mijn geloofwaardigheid hoog te houden. De vrije wil die ik niet bezit, bezit zij dus ook niet volledig. Dit geeft mij troost. Zij geeft mij troost, eigenlijk.
    Plotseling wordt alles donker en vergeet ik alles.

Teeth of wisdom

27 april 2011, 16:59 u.

Gistermiddag zijn mijn laatste twee verstandskiezen getrokken. Dat daarmee ook werkelijk een deel van je verstand verloren gaat is volgens mij wel een beetje waar, dat bewijst mijn verhaal van vandaag. De assistente van de kaakchirurg had mij al gewaarschuwd niet in de volle zon te gaan zitten met mijn hoofd en nek, want dan worden de wonden toch iets te warm en kan het gaan broeien en zwellen. Ik ben wel heel braaf uit de zon gebleven, maar 's nachts in bed en 's ochtends met de zon vol op je raam wordt het alsnog warm natuurlijk. Ik werd dus ook wakker met een enrome rechterhelft van mijn hoofd. O nee! En ik moest om 12 uur al in Hilversum zijn. Snel check ik de vriezer op ijsklontjes, maar de penisvormige ijsklontjesmaker, die van Lizette is overigens, was niet gevuld. Wel lag er een flesje water in dat nog niet helemaal bevroren was. Prima, handdoekje erom en koelen maar.
Tegen de tijd dat ik echt weg moest zag mijn gezicht er nog steeds uit alsof ik een tennisbal in mijn mond had, dus nam ik het nog koele flesje mee. Toen ik klaar was met mijn afspraak in Hilversum moest ik nog wat tijd doden tot mijn rijles begon. Shoppen is altijd een goede tijddoder, dus niet veel later stond ik in een pashokje in bikini. Ik had nog een pijnstiller bij me (Naproxen) en die besloot ik in te nemen met een slokje water. Ik stopte de pil in mijn mond, draaide het flesje open, rook te laat de vreemde geur en nam een flinke slok wodka. Gatvergatvergatver! Uitspugen was geen optie, ik stond immers in zo'n pashokje van de H&M waar de deur een halve meter boven de grond ophoudt. Bovendien lagen mijn jas en tas al op de grond. Doorslikken dus! Daarbij komt nog dat Naproxen uitdrukkelijk niet gecombineerd mag worden met alcohol, in verband met maagklachten.
Hoe had ik dit kunnen voorkomen:
1. Ik had me kunnen bedenken dat de meeste flesjes water in een vriezer toch echt wel bevriezen.
2. Goed, het flesje had er natuurlijk pas net in kunnen liggen. Maar ík had hem er niet ingelegd en Lizette was al een paar dagen niet meer thuis geweest.
3. Ik had van te voren kunnen checken of het wel water was.
4. Ik had een reden kunnen bedenken waarom iemand een flesje water in de koelkast zou leggen, en daaruit tot punt 3. kunnen redeneren.
5. Ik had de pijnstiller thuis al kunnen slikken.
6. Ik kon ook best de pijnstiller helemaal niet slikken, want pijn doet mijn mond niet echt.

Laat dit een les zijn voor iedereen die ooit een flesje doorzichtige vloeistof in de koelkast/vriezer ziet liggen, en voor iedereen wiens verstand er uitgetrokken gaat worden.

In de trein

12 april 2011, 17:02 u. – in de trein naar Hilversum

Het schijnt dat mensen – wij dus – het geheugen pas vanaf ons vierde jaar ontwikkelen. Of in elk geval hebben we pas echt herinneringen vanaf vier jaar oud. Ik vind dat gek: als we vier zijn kunnen we al een heleboel. We kunnen lopen, praten, we weten al hoe een aantal dingen werkt. Je zou zeggen dat we dat geleerd hebben. Volgens Socrates is leren niets anders dan herinneren. De kennis hebben we al – die heeft onze ziel al opgedaan in een vorig leven. Het moet alleen weer naar boven worden gebracht. Dus blijkbaar hebben we heus wel herinneringen vóór ons vierde levensjaar, anders zouden we telkens opnieuw moeten leren lopen. Maar hoe we al die dingen geleerd hebben vergeten we blijkbaar weer.
Best jammer. Het lijkt me fascinerend om in mijn eigen hoofd te kunnen kruipen toen ik mijn eerste stapjes zette. Een paar hele vage herinneringen van voordat ik vier jaar werd heb ik wel. Ik kan me nog een heel klein beetje het oude huis in Amsterdam voor de geest halen. Er waren 's avonds vaak twee spoken op het balkon waar ik bang voor was. Maar ik wil me nog vroegere dingen kunnen herinneren. Hoe was het in de buik van mijn moeder bijvoorbeeld? Ik kon niet niets zien, wel horen. Althans: de muziek van de Red Hot Chili Peppers die mijn moeder altijd draaide toen ze zwanger was van mij is ook altijd vertrouwd geweest. Had ik toen al enig besef? Ik kan me dat haast niet voorstellen. Geen besef van mezelf, geen besef van andere mensen. Daar houdt je je sowieso pas op latere leeftijd mee bezig. Toen ik al iets ouder was dan een baby maar nog steeds kind, zag ik "de mensheid" als één groot geheel dat slecht en zelfzuchtig was. De meeste mensen die ik persoonlijk kende behoorden daar niet toe, overigens. Voor mij was de mens slecht, aangezien de dieren en de natuur alles voor mij waren en de mens maakte dat onnodig kapot. Dus protesteerde ik tegen het snoeien van de groenstrook achter het huis en redde ik wespen uit het zwembad.
Later, in het begin van de puberteit, krijgen "andere mensen" weer een andere betekenins. Ze zijn een groep waar je bij moet horen en die tegelijkertijd je spiegel is. Ineens ben je geen dierenvriend en held van je eigen fantasievolle leven meer, amar een onzeker en kwetsbaar persoon. Of zelfs een nutteloze mislukkeling. Toch wil je je koste wat het kost onderscheiden en ook afscheiden. Zelf iemand worden onder al die anderen is belangrijk, en dat lukt maar niet. Wanneer komt de rust, je plek? In het vroeg-volwassen leven is dat allemaal ook niet zomaar. Hoewel het onderscheiden van en voor anderen niet meer het belangrijkste is. Je doet dat wat je doet steeds meer voor jezelf, in jezelf.
Ik wil natuurlijk niet zeggen dat dit voor iedereen precies zo geldt. Iedereen zal dit anders door- en meemaken. Maar dat is vanzelfsprekend, anders zouden wij geen individuen onder nog veel meer individuen zijn.

Contouren

3 maart 2010, 19:54 u.

08:41 Telegraph Road, Dire Straits
Well just believe in me baby and I’ll take you away
From out of this darkness and into the day

Blz. 54 Filosofie voor internetters, Roger-Pol Droit
De schemering komt elke dag iets eerder. Veel mensen vinden dat beklemmend. Ik ben nauwelijks geneigd om tegen het algemeen gevoelen in te gaan, maar die donkere sluier die zich van dag tot dag uitgebreidt stelt me gerust. (…) Het daglicht heeft iets scherps, je moet op je hoede zijn, klaar om te reageren. (…) Het zal me nooit lukken om het zo te draaien dat de dag ophoudt een min of meer vreemde wereld te zijn, en de nacht een veilige haven.

Het bewandelen van een zonovergoten plein, na dagen, weken, maanden in de schaduwen te hebben doorgebracht is verblindend voor de ogen. Het licht is zo fel dat je je het liefst omdraait om de zon weer vanuit de schaduw waar te nemen. Dat je het liefst blijft kijken naar de mensen die daar lopen. Maar de nieuwsgierigheid is opgewekt. Je begint langzaam. Stapt in het zonlicht, maar blijft staan met de ogen gesloten. Dan weer terug in de koele schaduw aan de randen van het plein. Je moet nog wennen aan de warmte die de bleke huid kan schroeien. Maar iemand grijpt je hand en trekt je terug het licht in. Een tijdlang sta je te knipperen als een gek, de witte tegels reflecteren het licht ook zo scherp. Nog eens terug de schaduw in. De ander kijkt je na, maar ziet je al snel niet meer, je hebt de donkerste schaduw opgezocht, of die heeft jou gevonden. Dit is jouw stuk van het plein. Zelfs als de zon om twaalf uur op haar hoogst staat, zijn er nog schaduwen. Na een tijdje wil je weer terug. Dit keer wennen de ogen al sneller. De huid straalt. Maar het is nog steeds erg warm en de dingen lijken allemaal zo scherp. Bijna lelijk. Nee, ze zíjn lelijk. Gelukkig loop je met een ander die het kennelijk niet lelijk vindt en je veel leert. Zodra je weer alleen bent ga je terug naar de rand in de koele schaduw. Daar alleen zijn kan nog niet. In het donkere zijn de dingen zachter, hoewel je niet weet waar je aan toe bent. Maar nu blijf je denken aan het midden van het plein. Hopelijk is de ander daar. Elke keer nu je het licht in stapt wennen de ogen sneller en schroeit en reflecteerd de huid minder. Totdat je merkt dat je niet elke keer teruggaat naar de schaduwen zodra je eventjes alleen wordt gelaten. Voor langere tijden nog wel, maar je wacht eerst nog eventjes aan de rand van schaduw en licht. Alleen de nachten vallen nog steeds, natuurlijk.

Een slecht verhaal

3 oktober 2008, 20:30 u.

Twee oktober was een regenachtige dag, en ook een lange dag voor de meeste mensen. Donderdag is altijd een lange kutdag. Standaard. Toch waren er een stuk of zes kiddo’s die niet zoals iedereen levenloos de lessen uitzaten. ‘s Avonds om acht uur zou één van hun wensdromen in vervulling gaan in de vorm van een concert in Ahoy. Daarom vertrokken ze zo snel mogelijk na school om de trein te halen naar Rotterdam. Even was het onzeker of ze het zouden halen, maar alles kwam goed. Na een treinreis van ongeveer anderhalf uur kwamen ze aan, twee uur voor de deuren open zouden gaan. Ze waren niet de eersten, ook al stonden er niet heel erg veel mensen. Het regende nu hard, maar de mensenmassa ging schuil onder een dak van paraplu’s en poncho’s. Zingend stonden ze te wachten. Niet alle mensen waren daar even blij mee, maar daar trokken ze zich niks van aan.
En eindelijk, na twee uur wachten, een paar regenbuien en dooie tenen gingen de deuren open. De mensenmassa die inmiddels drie keer zo groot was geworden duwde en trok om als eerste naar binnen te kunnen. De zes koters wurmden zich behendig naar voren en renden zo hard als ze konden naar de zaal. Daar ploften ze een beetje ongemakkelijk neer tussen tientallen benen. Over een uur zou eerst het voorprogramma komen. Gelukkig liep het niet uit en konden ze hun oncomfortabele houding snel achter zich laten. Na een half uur was het voorprogramma al klaar en dan was het nu wachten op de hoofdact… De spanning groeide naarmate de minuten verstreken. Een paar aardige maar nogal foute studenten, twee stuks, stonden voor de zes verwachtingsvolle hoofdpersonages en praatten met ze over tekenfilms als Fairly Odd Parents, Spongebob, Dommel, Brum, Dino Baby’s en nog veel meer sentimentele dingen uit de jeugd die zo ver weg leek. Hun gesprek werd echter onderbroken toen de hoofdact eindelijk opkwam. Een enorm lawaai steeg op uit de mensenmassa in Ahoy. En daar waren ze dan, helemaal live, helemaal geweldig, helemaal voor de tweede keer, helemaal … COLDPLAY. En wat waren ze goed. Ze speelden alles waar de zes koters van gedroomd hadden (behalve Warning Sign dan) en de effecten waren duizend keer zo mooi dan in Paradiso. Toch is het moeilijk te zeggen welk concert mooier was, maar één ding is zeker, als Jesse vandaag niet op school zou zijn geweest, zou hij gelukkig gestorven zijn. Aldus Jesse.

En vandaag staat die idioot er gewoon weer!
xxx

filosofisch gedoe

9 juni 2008, 17:25 u.

Ik heb dit verhaal al een tijdje terug geschreven, het is niet nieuw ofzo. En het is 3,5 A4t-je lang, dus ik weet niet of iemand de moeite neemt om het te lezen, maar ik post het toch maar gewoon.

Het was dat ik op een ochtend wakker werd. ’s Ochtends vroeg, maar mijn ogen sperden zich open en de slaap had zich teruggetrokken. Mijn lichaam voelde ik eerst niet eens. Pas toen ik mij probeerde te bewegen, leek het alsof mijn ledematen gevormd werden uit koele klei. Ik besefte dat ik kon zien toen de zon zich door de smalle spleet van de gordijnen had weten te wringen. Dat was ook het moment dat een stukje van mijn omgeving verlicht werd. Ik werd die ochtend wakker in een nieuwe wereld, niets herinnerend van mijn oude, die toch zeker wel zijn sporen had achtergelaten. Ik ging rechtop zitten, want ik was erg nieuwsgierig naar mijn omgeving. De smalle lichtstraal onthulde niet veel. Wel kon ik zien dat niet de wereld nieuw was, maar ik. Mijn benen gleden onder de deken uit en de topjes van mijn tenen raakten voorzichtig de vloer. Toen ik met mijn hele voeten plat op de vloer stond en mijn bovenlichaam daar loodrecht bovenop stond ik. Mijn armen strekten zich uit naar de gordijnen die, behalve de smalle lichtstraal, al het andere zonlicht geheel tegenhielden. Ik leunde naar voor en verloor mijn evenwicht. In een reflex zette ik mijn rechterbeen naar voren, en ik bleef staan. Iets vanbinnen beukte tegen mijn borstkas, en daar schrok ik van. Maar mijn aandacht bleef bij de lappen stof die daar hingen. Ik sleepte nu ook mijn andere been naar voren tot ze weer naast elkaar stonden. Ik kon nu bij de gordijnen en ik pakte ze vast, buiten adem en ik voelde elke zenuw in mijn lichaam verstijven. De gordijnen gingen open, en het licht verblindde mij eerst enkele seconden. Het was feller dan wit, en ik moest mijn ogen dichtknijpen wat leidde tot een oneffen rode waas. Ik draaide mij zo snel om dat ik op de grond smakte en met mijn gezicht tegen de ruwe vloer gedrukt bleef liggen. De zon brandde op mijn naakte huid en ik wilde weer zien dus ik opende mijn ogen. De rode waas verdween en ik had de kamer nu verlicht. Ik had dat gedaan door mijn spieren in mijn armen de gordijnen te laten opentrekken. Mijn geest had dat gewild en opgedragen en mijn lichaam had gehoorzaamd. Mijn geest gebruikte mijn lichaam. Maar toch ben ik beide. Ik ben geest en lichaam, gescheiden en versmolten, onderdanig en dominant. Opdragend en gehoorzamend. Materieel en immaterieel. Nu ik wist hoe het werkte gaf mijn geest de opdracht op te staan en naar het licht te kijken. Mijn ogen deden pijn maar mijn geest wilde dat niet horen. Ik strompelde naar de opening van de gordijnen en duwde mijn gloeiende hoofd tegen het koele glas. Mijn handen werden platgedrukt en gleden omlaag. Het licht was nu niet overheersend meer en ik zag vormen. Een straat, wist ik, van gladgeslepen keien. Onwillekeurig voelde ik mij kwetsbaar door gebrek aan bedekking van mijn lichaam. Hoewel er niemand op straat was schuifelde ik nu achteruit dieper de kamer in die ik nog niet eens had bekeken. Het bed waar ik in had gelegen toen ik gevormd werd stond links van het raam en de dekens lagen slordig aan het voeteneind. Daarna zag ik de rechthoekige vorm van de kamer, de hoeken als scherpe lijnen. De muren hadden een grijze kleur die ik ervoer als mooi. De vloer was van zwart steen, een beetje onregelmatig en hard. Er stond verder niets in de kamer. Maar in de muur tegenover het raam was wel een deur. Hij was dicht, had als enige in de kamer een kleur. Maar ik wist niet welke kleur. Ik liep naar de deur, snel, want ik was nieuwsgierig en voelde geen angst. De deurknop paste niet helemaal in mijn hand en voelde prettig aan. Ik draaide hem geluidloos om en beval mijn lichaam de deur verder open te duwen. Achter de deur bevond zich een smalle gang. Er waren geen ramen en geen verlichting. De zonnestralen uit de kamer met het raam gleden toch de gang in en ik kon zien waar ik liep. Links voelde ik een reling, toen ik mijn hand uitstak. Ik pakte die vast en wilde die volgen. Net buiten het bereik van het licht kwam ik stof tegen, mijn geest besefte dat het kleren waren. Stoffen, om je lichaam mee te bedekken. Op dat moment had ik daar geen behoefte meer aan. Ik pakte het op en liet het door mijn handen glijden. Ik keer achterom naar het licht en deed een paar stappen achteruit. De stof was wit. Met gaten voor mijn hoofd en armen. Ik vertelde mijn lichaam die erdoorheen te steken. Nu was ik bedekt. De stof was stroef en schuurde zachtjes langs mijn huid. Ik zette mijn reis door de gang weer voort en bereikte een trap. Onderaan de trap was nog een halletje, met een deur aan het einde. De deur had een ondoorzichtig raam waar het licht wel doorheen scheen. Nu was ik blij met de lange jurk. Mijn benen voerden mij naar de deur die mijn hand opentrok. Een windvlaag en druppels verwelkomden mij en mijn lichaam. Het was een prachtige ochtend, de wolken waren donker aan de onderkant en kolkten door elkaar. De druppels waren koel en verlichtten het brandende gevoel van de zon die door kieren van de wolken scheen. Bijna gretig stapte ik door de deur heen. Het eerste geluid dat ik hoorde was de deur die dichtviel met een klikkend geluid. Het huis waar ik uit was gekomen stond blijkbaar aan het einde van een straat, want de weg leidde mij recht vooruit tot het een bocht omging. Terwijl mijn benen doorliepen was mijn geest zich sterk bewust van de omvang van mijn lichaam. De ruimte die het innam, de beweging in de lucht die het veroorzaakte. Het verbaasde mij dat de gordijnen en luiken van de andere huizen niet opengingen en dat de oorspronkelijke bewoners van deze wereld niet geschrokken hun hoofden naar buiten staken om te zien wie deze mooie ochtend durfde te verstoren. Het verbaasde mij dat ik er vanuit was gegaan anderen tegen te komen, terwijl het ondenkbaar is dat er nog een wezen zoals ik kan bestaan.

Maar mijn geest wilde doorlopen en ik gehoorzaamde. De keien waren rond en glad. Soms gleden mijn voeten tussen de keien wat een raar gevoel gaf. De andere huizen in de straat zagen er net zo uit als het huis waar ik uit was gekomen. Hoog, schitterend en grijs. Met één enkel raam aan de voorkant op de eerste verdieping, en een deur daaronder. Maar ik had geen aandacht voor de huizen. Ik wilde weten wat er achter de bocht in de straat lag. Plotseling weerklonken geluiden, treurige geluiden die steeds harder werden en ik wist niet wat ze veroorzaakte. Mijn benen stonden stil. Ik wilde niet verder. Mijn hart bonsde nu zo hard dat het bijna de geluiden overstemde. En ik voelde… Ik voelde angst. De geluiden waren nu hard, het klonk alsof honderden voeten over de keien straat glibberden. Het geluid van honderden bonkende harten in hun borstkassen. Het geluid van snelle onregelmatige ademhalingen. Zo stond ik daar te luisteren. Mijn lichaam voelde ontzettend kwetsbaar en onbelangrijk. Ik vond het raar dat ik door wilde lopen, maar deed het toch. Nu klonk ook een stem op uit de straat. Hij leek uit mijn lichaam te komen, maar ik kon onmogelijk zo’n geluid maken. Ik snapte niet wat de stem zei.

‘Ik snap het niet.’

Met die woorden verdween mijn angst. Nu ik kon praten en een taal kende verstond ik de stem ook die uit mij weerklonk. Mijn stem. Ik herhaalde de zin aan één stuk door. Opeens besefte ik dat mijn handen onbewust aan de zoom van de jurk wriemelden. Kon mijn lichaam uit zichzelf bewegen? Kan mijn lichaam bewegen zonder mijn geest? Ik stopte met praten en staarde voor me uit zonder iets te zien. Hoe? Deze vraag boeide mij enkele minuten. Daarna liep ik weer verder. Mijn lichaam voelde anders aan, alsof ik een deel van de controle erover was verloren. Dat beangstigde mijn geest.

De straat begon te buigen. Ik bleef op het midden van de weg lopen, over de keien en rekte mijn hals al uit. Mijn benen en voeten gingen sneller totdat ik bijna rende. Ik was de bocht om. De straat was gestopt met buigen. De straat was eigenlijk overal mee gestopt. Langs de laatste rij keien groeiden grassprietjes en kleine witte bloemetjes. Daarachter lag een klein strookje gras, algauw gevolgd door zand. Zand, branding en een zee. Een oceaan. Het was wild en donkerblauw. Witte koppen op de golven die vervolgens op het strand kapot sloegen. Iets in het zand reflecteerde de zon door de wolken. Mijn nieuwsgierigheid was weer gewekt en ik liep er naartoe. Het gras prikte in mijn voeten. In het zand zakte ik eerst bijna weg, en ik viel een keer voordat ik bij het voorwerp in het zand was. Toen het ding aan mijn voeten lag zag ik dat het een spiegel was. Ik liet me in het zand vallen en pakte het ding. Ik hield de spiegel voor mijn gezicht. Voor het eerst zag ik mijn gezicht. Smal, grijze ogen en sneeuwwit haar. Ik voelde mijn haar nu pas voor het eerst. De wind deed het alle kanten op waaien, ook voor mijn ogen waardoor ik minder goed zag. Mijn wenkbrauwen waren donker en mijn ogen licht. Even was ik verbijsterd door wat ik zag. Ik had nooit kunnen denken dat er iets als een spiegel bestond, waarin je jezelf kan zien. Dat er iets als een uiterlijk bestond. Ik wist wel degelijk dat ik een lichaam had, maar had nooit bij het feit stilgestaan hoe dat eruit zou zien. Ik moest even wennen aan dit nieuwe wezen dat net zo verbijsterd terugstaarde. Ik draaide de spiegel rond en vond het leuk om te zien dat het mijn omgeving ook weerspiegelde. Door het draaien zag ik de lucht, het strand, de zee en mezelf als één waas. Toen ik mijn interesse weer verloor keek ik beter naar het water. Er was iets met het water, het had dezelfde kleur als de lucht, maar toch kon je zien dat het anders was. De wind blies mijn haar constant in mijn gezicht en de witte jurk bolde op en wapperde dan weer een andere kant op. Ik genoot van alles wat mijn zintuigen mij lieten waarnemen. De zee was een lust om naar te kijken, het bulderen van de wind en het geluid van de branding hadden een verdovende werking. De ijskoude regendruppels die nog steeds uit de lucht vielen gaven een rein gevoel over mijn lichaam. Ik keek naar de druppels die in het zand vielen en het donkerder maakten. Ik keek ook naar de druppels die in de zee vielen. De zee werd niet donkerder. Ik zag de druppels er gewoon in verdwijnen. Ze werden één met het water. Ik snapte niet hoe dat kon en beval mijn lichaam erheen te lopen. Mijn voeten raakten het water als eerste aan. De onderkant van mijn jurk werd nat en spetters kwamen tegen mijn benen. Het water was ijskoud. Kouder dan de regen, kouder dan de wind. Ik waadde door het water tot het tot mijn middel kwam. Ik ademde door mijn mond omdat het zo koud was. Spetters kwamen in op mijn tong en ik proefde. Zoutig was het water. Ik pakte een pluk haar en zoog het regenwater eruit. Het smaakte niet zout. Hoe kan het één worden als het anders voelt, er anders uitziet en anders smaakt?

Ik liep weer naar het strand toe. Het zand plakte aan mijn voeten en aan mijn jurk. Ik keek op en zag nu pas dat de straat waar ik uit was gekomen een van de velen was. Een hele stad rees op en belemmerde het zicht op de horizon. Zover als ik keek, links of rechts, zag ik zee, strand en de stad. Dit duizelde mij. De grijze huizen leken omhoog te rijzen, en als ik met mijn ogen knipperde stonden ze weer gewoon. Ik liet mijn lichaam daar even staan, terwijl mijn gedachten afdwaalden. Ik snapte niet waar ik aan dacht, het waren geen woorden, geen logica. Ik zag wel kleuren. Vlakken, strepen, vormeloze dingen. Maar ik kon ze niet echt zien, omdat ze er niet echt waren. Het leek alsof ik in twee werelden tegelijk keek. De echte, met de stad en de zee. En een andere wereld. De wereld van mijn hoofd. Ik zag het niet door elkaar, niet naast elkaar. Ik zag het tegelijk. Ik probeerde de kleuren te ruiken, maar rook alleen de zee. Ik probeerde ze aan te raken, maar ze zaten achter mijn ogen. Ik vond het niet leuk en mijn lichaam liep weer terug naar de stad. De spiegel die ik in het zand had laten vallen nam ik mee. De keien waren een opluchting voor mijn voeten. De grijze huizen voelden beschermend, niet als de zee die te open en te vrij was. Mijn geest zei mij door te lopen en dus bewogen mijn benen en voeten. Ik wilde weer naar mijn huis. Ik liep sneller dan op de heenweg. Mijn jurk was doorweekt, door de zee en door de regen, mijn haar hing in slierten om mijn gezicht. Dat kon ik zien omdat ik onderweg weer in de spiegel keek. Mijn huis stond nog steeds aan het einde van de straat, als een dood eind. Ik wilde naar binnen, maar zag onmiddellijk dat de deur open stond. Hoewel ik er zeker van was dat ik die dicht had horen vallen begon ik nu te twijfelen. Misschien was hij nooit dicht geweest, misschien had iemand anders de deur open gemaakt. Maar bestond er wel iemand anders? Ik liep naar binnen, nieuwsgierig naar ander leven. Het halletje zag er hetzelfde uit. De trap ook. De deur naar de kamer met het raam was dicht. Die had ik wel open laten staan, herinnerde ik mij. Ik merkte dat mijn handen weer aan het wriemelen waren. Mijn geest keek naar mijn lichaam. Ik voelde hoe het naar me keek. Ik keek naar mezelf. Ik werd boos en bang tegelijk. Mijn lichaam deed dingen zonder mij. Zonder mijn geest, en dat vond ik eng. Ik besloot eerst in de kamer met het raam te kijken voordat ik een oplossing bedacht voor mijn lichaam. Ik beval mijn voeten naar de deur te lopen en ze gehoorzaamden direct. De deur ging open toen mijn hand de deurknop weer omdraaide en ik stond weer in de kamer. Mijn bed stond nog hetzelfde, de gordijnen waren open. Ik moest naar mijn bed lopen en erop gaan zitten. Het gewicht van mijn lichaam dat eerst op mijn voeten had gerust verdween in het bed en ik voelde mijn voeten nu pas. Ze deden pijn. Toen begon ik met praten.

‘Ik snap het niet. Wat denk ik? Wat denk ik? Het is hier niet stil. Mijn voeten doen pijn. Waarmee voel ik dat? Ik weet veel. Ik ken de wereld. Mijn lichaam luistert niet goed. Het doet dingen alleen. Waarom doe ik dat? Waarom doe je dat? We zijn toch samen. Ik snap het niet. Maar ik heb een lichaam en een geest. Zijn er drie of twee.’

Ik hield weer op. Mijn ogen vielen steeds dicht, mijn lichaam voelde pijnlijk en verdovend aan. Ik wilde niet slapen en gaan liggen. Maar toen ik langzaam ging liggen besefte ik dat geest en lichaam samen moeten werken, één moeten zijn. Ik gaf toe, voelde me bevrijd en toch ook verbonden. Met deze kennis viel ik in slaap.